Sylca Saga

Hoofdstuk 3 – Cara (Sylca Saga I)

Alsof we in enkele uren andere persoonlijkheden zijn geworden. Beiden gewapend met een levensgrote rugzak, windjackets en outdoor schoenen, gaan we de strijd met de tijd en de elementen aan. Met een betonzaag, een hamer en heel wat lompe krachten hebben we twee fietsen van hun sloten kunnen ontdoen en fietsen we nu op een – voor ons – hoge snelheid richting het oosten. Dat denk ik tenminste. Als ik de kaart moet geloven. Het internet doet het amper nog, waarschijnlijk omdat de Donkere Lucht alles vernietigd wat op zijn pad komt. Zelfs satellieten die het voor ons mogelijk maken om te bekijken waar we heen moeten. De beschaving hebben we achter ons gelaten. Alles wat we tegen komen, is al verlaten. Het nieuws heeft zich snel verspreid – toch heeft de lucht ons nog niet weten in te halen. Ik vermoed dat er het komende etmaal geen nachtrust voor ons inzit, ik ben bang dat het anders onze dood gaat betekenen. Tenzij we iets van een auto tegenkomen. Of een scooter die we kunnen gebruiken. Maar daar hebben we geen rijbewijs voor. Evenals benzine, die zal inmiddels wel schaar zijn. Maar ja, Hopeloze tijden, drastische maatregelen is nu min of meer onze lijfspreuk en daar zullen we het mee moeten doen. Mocht ik een auto tegen komen en deze kunnen starten op magische wijze zonder sleutel, dan ga ik proberen te rijden. Het risico dat we tegen een boom rijden, probeer ik even achterwege te laten.
Feline kijkt zo zuur dat ik me serieus afvraag of dat er geen bloed, maar zoutzuur door haar aderen loopt. ‘Ik wil iets dat automatisch vooruit gaat, in plaats van dit… Dit spierenslopende gedoe!’
‘Vertel mij wat…’ Het gevoel uit mijn benen is al een paar uur geleden verdwenen. ‘Een auto… Een supersnelle auto die ons naar een veilige plek kan brengen.’
‘Oh dat zou fijn zijn! Wat helemaal tof zou zijn is dat we wonder boven wonder zonder rijbewijs ook nog eens perfect konden rijden.’
‘Ja,’ snif ik ‘en ons richtingsgevoel helemaal perfect – we weten precies waar we heen moeten en binnen een week zitten we ergens veilig in China. Of zo.’
Feline glimlacht zwakjes. ‘Ja waar willen we eigenlijk naartoe?’
‘Het westen lijkt me in ieder geval geen goed idee. Het oosten aanhouden is in dit geval altijd goed. Denk ik.’
‘Hmmm,’ begint Feline bedenkelijk ‘Dan wordt het Duitsland, Polen, Hongarije, Roemenie?’
‘Zoiets,’ antwoord in semi-fascinerend ‘Moldavie en Oekranie en een stukje Rusland. Dan wordt het kiezen, als mijn topografische geheugen het goed heeft: dan ligt de Kaspische zee op onze route en dat wordt het noord of zuid. Dat betekend…’ Ik hoor mijn hersenen zelf nog net niet kraken.  Man, ik zou er een moord voor doen om mijn VWO6 af te maken. ‘Via Rusland naar Kazachstan of via het zuiden, via een stuk Georgië en Turkije en…’
‘Tegen die tijd zijn we allang dood.’ Feline haalt plots droevig, haar schouders op. ‘Twee westerse, verwende meisjes die willen overleven in woestijnen, wildernissen en bergen? We komen uit Nederland! Wij zijn niet eens een gemiddelde heuvel gewend!’ Zelfs bij Feline slaat de realiteit nu toe.
Ik zucht. ‘Ik weet het. Maar welke kans hebben we dan? Met een vlot de Middellandse Zee overvaren? Ons verschuilen in de Ardennen omdat het zo lekker dicht bij huis is en de bergen minder hoog dan in, weet ik veel, de Ardennen? Het Himalaya-gebergte? De Kaukasus? Allemachtig, heb je enig idee hoe graag ik op dit moment bij mijn moeder zou willen zijn?’ Inmiddels ben ik van mijn fiets gestapt en sta voor Feline.
‘Denk je dat ik dat niet weet, Cara? Mijn moeder is ook dood! Mijn vader? Dood! Mijn broertje? Dood! Ik heb altijd de grootste mond op school gehad, maar denk je niet dat ik er nu alles voor over zou hebben om samen VWO6 af te maken met een diploma in onze pocket?’ Ze barst in huilen uit.

Ik kan er niets aan doen, maar het vocht dringt zich aan me op. Mijn onderlip trilt als een telefoon op trilstand. Het is genoeg. Pijn mag je voelen. Feline slaat haar armen om me heen en samen barsten we in huilen uit.

Er is tijd verstreken. Hoeveel, weet ik niet. Maar we zijn allebei enigszins opgelucht nu we het er even uit hebben kunnen gooien.
‘Weetje, zolang we elkaar hebben is er vast een kans. Wij zijn nu familie,’ concludeert Feline terwijl ze de laatste tranen van haar wangen veegt.
‘Inderdaad, wij zijn nu familie.’ Ik kijk haar tevreden aan. Feline, het meisje met de lompe uitspraken en de ondoordachte acties wat ik van kleins af aan al ken – is het enige wat ik nog heb. Mijn ondoordachte, beste vriendin. Ze zegt meer dan dat ze denkt, maar sinds jaar en dag gaat ze voor mij door het vuur. Als zesjarig meisje was zij degene die haar armen om me heen sloeg toen mijn zusje weg was. ‘Dan ben ik toch je zusje?’ zei ze destijds. En dat zijn we sindsdien ook geweest. Hoewel we veel verschillen en er in zekere zin te spreken is van die typische, hatelijke liefdesrelatie tussen twee zussen – doen we letterlijk alles voor elkaar. Ik kan me nog goed herinneren dat toen we brugpiepers waren, een tweedeklasser me expres liet struikelen onder het mom “oh sorry, dat haar van je weerkaatste in de zon, het is ook zo’n blikvanger! Hahahah!”
Ze is toen drie dagen geschorst en die tweedeklasser kon naar de eerste hulp.
‘We proberen het gewoon,’ vervolgt Feline als ze een flesje water uit haar fietstas pakt.
‘We gaan proberen te overleven: Be rich or die trying!’
‘Zo is dat! Ik heb nu bijna zin om zo’n halfgare Rocky film te kijken. Je weet weel The eye of…’
‘The tiger!’ Vul ik enthousiast aan. ‘It’s the thrill of the fight, rising up to the challenge of our rival.’
We zetten allebei onze voeten weer op de trappers en maken voort.

‘And the last known survivor, stalks his pray in the fight… En wij gaan overleven!’ roept Feline in vol enthousiasme dat snel afneemt. ‘Denk ik. Hoop ik. Zoiets.’
Laten we het daar voorlopig maar bij laten. Maar proberen moeten we, de weg van de minste weerstand is geen optie.

‘Wil je iets vrolijkers zingen, alsjeblieft?’ Feline is niet meer gestopt met zingen. Het ene na het andere nummer zingt ze eruit. Ze zegt, dat het haar gedachtes gezet. Daar heeft ze gelijk in, muziek is voor mij altijd een afleiding. Maar ja, als ze dan aankomt met My heart will go on van Celine Dion dan is dat niet bepaald gewenst door de recente gebeurtenissen.
‘Ja…’ antwoord ze nadenkend ‘daar heb je best wel een punt.’
Ik lach haar triest tegemoet. ‘Ik ben moe.’
‘Anders ik wel! Ik zou zo graag een paar uur slapen.’ Ze wijst naar de lucht. ‘We kunnen het ons niet permitteren. Het komt te dichtbij.’
Ik zucht. ‘Als we nou eens…’
Feline ziet het ook. ‘Fata Morgana! Een luchtspiegeling in een non-woestijnlijk gebied! Ik geloof mijn ogen niet!’
En ik ook niet. Als razende begin ik te trappen naar de donker groene auto die aan de kant van de weg is geparkeerd met – jawel! – de portieren open. De bestuurder moest zeker wel heel onverhoopt en snel weg. Ik stap snel in maar ik kan me zelf weer aardig gaan teleurstellen – in geen velden of wegen kan ik sleutels ontdekken. ‘Nee he!’ jammer ik ‘Hoeveel batterij heb je nog op je telefoon? Mijnes is leeg.’
Feline kijkt. ‘Niet veel. Maar kan wel wat opzoeken, internet doet het… Heel eventjes weer.’
‘Oké. Kan je opzoeken hoe je een auto start zonder sleutels? Je weet wel dat trucje wat ze in films altijd uit halen met draadjes en zo.’ Een andere oplossing kan ik niet bedenken. En dat wordt wat, we zijn geen van beide technisch.
‘Volgens mij moet je het stuurhuis eraf halen, aan de onderkant daar zit ergens een rood en geel draadje en… Zoiets.’ Hoopvol dit.
Na wat wrik werk weet ik met een zakmes het stuurhuis aan de onderkant los te krijgen. Ik zie inderdaad rode en gele draadjes. Maar welke moet ik hebben? Feline kijkt aandachtig naar haar telefoon. Ze wijst twee draden aan. ‘Volgens mij die twee.’
Op hoop van zegen. Met klamme handen van het zweet trek ik de twee draadjes los en verbind ze aan elkaar.

Als ik nu geëlektrocuteerd ben, dan voel ik er in ieder geval weinig van.

Ik open mijn ogen. Ik leef nog.
‘Maar zo staat het echt op het internet!’
‘Ik geloof je,’ antwoord ik teleurgesteld. ‘Het is alleen…’ Ik ga rechtop zitten en zet mijn handen op het stuur. Waarom wilt dit niet? Is hen dan geen enkel gelukje gegund? Op de manier hoe we nu reizen… Dat houden we geen dagen of weken vol. Waarom? Plots voel ik mijn hart sneller kloppen. Venijniger, klopt het. Alsof het me kwader wilt maken. Alsof ik hiermee wil afrekenen. Alasof ik eis dat deze auto nu start.
Nu.
Vreemd genoeg krijg ik het ijskoud, terwijl het niet tocht in de auto. Ik heb het koud en het tocht niet en ik ben goed aangekleed. Kippenvel. Ik sluit mijn ogen en meteen voel ik iets door me heen stromen dat ik niet anders kan beschrijven dan pure duisternis. Duisternis die me angst aanjaagt. Zodra ik mijn ogen open loopt de auto.
‘H-hoe deed je dat?’ vraagt Feline geschrokken.
‘Geen idee…’ antwoord ik eerlijk ‘laten we er geen verdere woorden meer aan vuil maken, maar onze spullen pakken en wegwezen.’
Vijf minuten later zit ik angstig achter het stuur. De fietsen liggen in de kattenbak van deze oude, opel corsa. Ons proviand op de achterbank. We hebben zojuist via Steen Papier Schaar beslist wie er achter het stuur moet kruipen. Ik ben de ongeluksvogel.
Volgens Feline is dit een automaat. Dat betekend dat ik niet hoef te schakelen. Dus het is sturen, gassen en remmen. Moet lukken. En ik moet natuurlijk op de weg blijven, niets of niemand raken… Gelukkig zijn er geen medeweggebruikers.
‘Haal ‘m rustig van de handrem…’ waarschuwt Feline.
Rustig haal ik de auto van de handrem. Tot zover gaat het redelijk.
‘Links is gas,’ gaat Feline verder.
Dus trap ik het linkerpedaal in. Zonder succes. ‘Je zult bedoelen, rechts is gas.’
‘Zoiets,’ antwoord ze gespannen.
Met uiterste precisie trap ik voorzichtig het gaspedaal in, en we gaan vooruit. Ik ga niet hard (hoe harder we tegen een boom knallen, hoe dodelijker!) maar het gaat prima, geloof ik. Ik rijd 30 en ik overleef de eerste bocht. Nou, dat is een prestatie op zich. Helemaal voor een zeventienjarige zonder rijbewijs. Het is af en toe wat trillerig en in de bochten heb ik de neiging om stapvoets te gaan, maar uiteindelijk durf ik 50 te rijden op de lange, rechte stukken. Het scheelt echt enorm veel ik de enige weggebruiker ben. Feline, die naast mij de weg in de gaten houdt ook af en toe een blik werpt op de kilometer teller weet me na het verstrijken van een aantal uur te vertellen dat we 150 kilometer verderop zitten. De Duitse grens zijn we inmiddels gepasseerd en de natuur lijkt steeds meer de overhand. Het geheel begint wat heuvelachtiger te worden en de bebossing komt alsmaar dichterbij. Ook hier zijn de mensen al massaal vertrokken.
‘Wil jij nu even?’ vraag ik aan Feline.
Ze haalt haar schouders op. ‘Is het niet verstandiger om even te gaan slapen? De wolken zijn nu nog zo ver weg. We zien ze niet eens.’
‘Goed idee,’ antwoord ik en parkeer de auto tussen de bomen, zodat we vanaf de weg niet te zien zijn. Feline pakt de wekker uit de kampeerwinkel en windt ‘m op. ‘Drie uurtjes?’ stelt ze voor.
‘Prima.’ Ik draai de rugleuning naar achteren en pak mijn slaapzak. Nog nooit heb ik zo naar nachtrust verlangd.

Ergens ver weg, wat wel een andere dimensie lijkt, hoor ik geritsel. Krassen op metaal. Barstend plastic. Glasscherven. Zodra mijn ogen openschieten zie ik tot mijn schrik dat ik ben bezaaid met glasscherven. Op mijn handen hebben ze zelfs kleine wondjes achtergelaten. Ik ga rechtop zitten en zie twee jonge mannen van een jaar of twintig voor onze auto staan. Meteen kruip ik – glasscherven of niet – onder het stuur om wat dan ook, met die draadjes de auto te starten.
‘Niet zo snel.’ Een van de jonge mannen grijpt me vast – ik had er nog helemaal niet bij stil gestaan waar die glasscherven vandaan kwamen.
‘Blijf van me af!’ sis ik.
Feline is inmiddels ook wakker en vergrendelt snel haar portier.
‘Oh ja?’ De jongeman kijkt me kwaad ziedend van woede aan. Hij heeft onverzorgd, zwart haar tot aan zijn kin, valse groene ogen en een drie dagen baardje. Een gezicht wat ik nooit meer ga vergeten – nooit verwacht dat mensen zo koud en kil konden kijken. Hij trekt me door het gebroken raam heen naar buiten. ‘Jij geeft me nu de sleutels van die auto, en die vriendin van je stapt er ook uit. Die is nu van ons.’
‘Nee!’ breng ik in, terwijl ik hem bij me weg probeer te duwen. Maar de jongeman is lang en erg sterk gebouwd – dat zie ik zelfs door zijn zwartleren jack heen. Ik maak geen schijn van kans. ‘Die is van ons! Je kunt niet zomaar…’
‘Ik kan alles, schatje.’ Met een simpele handbeweging duwt hij me naar de grond en buigt zich naar me toe. ‘Geef me nu die sleutel, anders ga ik heel vervelend worden. Het zo zonde zijn als ik dat mooie poppengezichtje in stukken moet breken.’
Dan merk ik dat ik nog wat glasscherven in mijn vuist geklemd houdt. ‘Ik heb geen poppengezicht!’ Ik smijt ze naar zijn hoofd.
Kermend valt hij op de grond. Er steken scherven in zijn wangen, neus en lippen. Er zitten zelfs een aantal kleine stukjes in zijn oogleden. Het bloedt druipt al snel over zijn hele gezicht heen terwijl hij niet weet wat hij moet doen van de pijn. Zijn handlanger een wat kleinere, brede jongen met donkerbruin haar en doorgelopen wenkbrauwen grijpt me bij beide armen vast. ‘Jij kleine slet!’
Ik weet hem – vraag het me niet hoe! Zo snel ben ik normaal niet! – een knietje te geven en hij laat me gegrepen door de pijn, los. Uit mijn jaszak haal ik een zakmes en als hij opnieuw op me afkomt, steek ik hem in zijn schouder.
Bevangen door angst deins ik achteruit. ‘P-pas op!’ stamel ik ‘ik doe het zo nog een keer!’ Eigenlijk ben ik daar niet zo heel zeker van.
En dat weet hij, dus komt hij nog een keer op me af. Ik sluit mijn ogen en voordat ik het weet heb ik hem in zijn onderarm gestoken. En dat is het ergste nog niet – het mes komt eraan de onderkant weer uit.
Het bloed loopt er met zo’n gigantische snelheid uit dat ik bang ben dat ik zojuist iemand heb vermoord. Hij schreeuwt van de pijn en valt neer en rolt over de grond en schreeuwt schreeuwt schreeuwt dat ik stiekem wens dat ik het niet had gedaan. Nee. Ik wil dit wel. Hij heeft het verdiend! Ik ren naar de auto toe en veeg snel de glasscherven van de autostoel.
‘Hoe starten we de auto?’ vraagt Feline hysterisch.
‘Geen idee!’ Wanhopig ga ik op de stoel zitten. Zouden we hetzelfde geluk hebben als de vorige keer? Ik plaats mijn handen op het stuur en concentreer me – de auto start.
We hebben dus echt geluk.
De jongen met de glasscherven in zijn gezicht staat inmiddels weer op beide benen en gevaarlijk gas ik zijn kant op, om op het laatste moment te remmen.
‘Cara!’ roept Feline geschrokken ‘zo is het genoeg!’
Ik schud mijn hoofd – dat hoeft eigenlijk ook niet. Waar ben ik mee bezig? Zo goed als ik kan, rijd ik achteruit om weer de grote weg op te rijden. Met trillende handen bestuur ik de auto. ‘Ik weet niet wat me bezielde!’ begin ik onbegrijpend ‘waarom deed ik dat?’
‘Je moest natuurlijk…’ Het is even stil. ‘Je moet jezelf wel verdedigen. Dat is een feit. Ze hebben het recht niet om ons te bestelen en daar mag je ook naar handelen, maar ik had niet gedacht… Niet gedacht dat…’
‘Wat?’
‘Dat je roekeloos kon doden!’
‘Anders ik wel!’ antwoord ik paniekerig. Oh mijn god, ik was echt in staat om ze te doden. Sterker nog, ik wilde het zelfs! Wat is er met me aan de hand? Heeft al dit gedoe me in een koelbloedige moordenaar veranderd?
‘Rustig maar,’ sust Feline even later. ‘Het zal wel een combinatie zijn van overlevingsinstinct en slaaptekort. We weten hoe chagrijnig je kan zijn als je niet voldoende slaapt. Erger dan Grumpy Cat. Kom,’ gaat ze verder. ‘Ik probeer wel even te rijden. Ga jij maar slapen. Inmiddels weet ik waar het oosten ligt, dus ik zal vast wel de goede kant oprijden.
Zo gezegd zo gedaan. We plakken met tape een stuk doorzichtig plastic over de opening die het gebroken raam heeft achtergelaten. Uitgeput ga ik op de bijrijdersstoel en rits de slaapzak uit elkaar, om die vervolgens om me heen te slaan. En daar zitten we dan – twee meisjes zonder rijbewijs, die de roadtrip van – of eigenlijk voor – hun leven maken. Met een gebroken raam, natuurlijk.

‘Caar, Cara? Wakker worden!’ Een hand duwt voorzichtig tegen mijn schouder en ik zit overeind. Het is pikkedonker om me heen. Tot mijn opluchting zie ik de vertrouwde maan met zijn sterrenleger aan de hemel staan. We zijn gelukkig nog niet ingehaald door de Donkere Lucht.
‘Waar zijn we?’ vraag ik.
‘Bij een tankstation, in de buurt van Kassel in Duitsland, als ik het goed heb.’ Ondanks dat Feline er oververmoeid uitziet, weet een kleine glimlach haar lippen te sieren. ‘We moeten even tanken, maar we zijn weer relatief dichtbij de bewoonde wereld. Hier wonen nog mensen!’
Dat klinkt als het ontdekken van het geheim van het eeuwige leven. ‘Dat klinkt fantastisch!’
Haar glimlach reikt van oor tot oor. ‘Het is een beetje dubbel, maar het betekend voor ons wel iets goeds – want ik was het helemaal vergeten – maar ik heb de creditcard van mijn vader op zak. Hij had vanochtend geen zin om over te boeken, dus gaf hij me deze en nou ja…’

Begrijpend kijk ik haar aan. ‘Ik snap het.’
‘Voorlopig moeten we hier genoeg aan hebben, want als er minder als drieduizend euro opstaat, wordt er automatisch geldt afgeboekt van zijn spaarrekening en zijn spaar…’
‘Ik weet het. Met die baan van je vader hadden hij een fikse spaarrekening, die bedoeld was voor jouw studie.’
Ze knikt. ‘En nu om ons in leven te houden.’ Vervolgens vertelt Feline me de pincode, die ik in mijn geheugen tatoeëer, om het nooit meer te vergeten. Want nu zijn we in een gebied belandt waar alles nog wel om geld draait – niet voor lang, maar hopelijk lang genoeg om volledig op te laden, onze reis te plannen en om te douchen. Ik ben echt aan een douche toe!
‘Maar een ding, Caar. Hoe tank je benzine in een auto?’ vraagt Feline licht beschamend.
‘Kom maar, dat weet ik wel.’ Ik sta voor de benzinepomp – maar dan vraag ik me af, welke soort benzine moet ik eigenlijk hebben? Dat is cruciaal, want het staat me bij dat mijn moeder eens verkeerde benzine had getankt en vervolgens is gaan rijden. Enkele dagen later kon ze een nieuwe auto kopen.
Gelukkig vind ik in het handschoenenvakje een briefje dat er euro 98 in moet. Schijnbaar vergat de vorige eigenaar dat ook weleens.
We tanken de auto vol, en ik rijd verder naar Kassel. Het is hier allemaal wat herbergzamer en dat vind ik dood eng. Ik zit sinds vandaag voor het eerst achter het stuur en wordt om te overleven de bergen in gestuurd. Jeej. Ik weet dat dit gebied staat om z’n middelgebergte – lang leve mijn fascinatie voor de geografie – dus het kan nog erger. Dus op zich, een prima begin.

Een halfuur later rijden we Kassel in. Al snel merk ik dat ze zich willen opmaken voor eventuele evacuatie. De politie en het leger is massaal aanwezig, evenals nieuwsploegen die de wanhopige vluchtelingen filmen die worden verzocht om door te rijden. Dan zijn wij aan de beurt. Een politieagent scheurt het zorgvuldig aangebrachte plastic kapot.
‘Vluchtelingen, dames?’’ vraagt de man in het Duits. ‘Mag ik jullie paspoorten en rijbewijzen zien?’
Als ‘ie dat ziet weet hij dat we niet oud genoeg zijn om auto te rijden. ‘Spreekt u ook Engels?’ vraag ik eerst. Mijn Duits is niet bepaald iets om over naar huis te schrijven. In het Engels en in het Frans kan ik me prima redden, maar Duits, niet bepaald.
Gelukkig gaat de agent moeiteloos over op Engels.
‘Kijk,’ begin ik in het Engels. ‘We komen uit Nederland. We hadden dat soort documenten niet bij ons op het moment dat we moesten vluchten.’
‘Jullie zien er wel wat jong uit om te mogen autorijden.’
‘Klopt, maar verandert ons uiterlijk iets aan de situatie? We zijn onlangs aan de dood ontsnapt. We zouden het fijn vinden als we onze auto hier konden laten maken, wat geld konden pinnen en overnachting kunnen krijgen zodat we morgen weer verder kunnen vluchten. Ik heb mijn moeder zien doodgaan, ja!’ Technisch gezien klopt mijn verhaal bijna.
Gezien de armzalige toestand van onze donkergroene Corsa, laat hij ons door en geeft ons enkele adressen waar we terecht kunnen.
‘Vielen danke,’ antwoord ik in mijn beste Duits.

We rijden door de stad heen en maken onze eerste stop bij een kleinschalig hotel. We parkeren de auto en kijken uit naar een grijs gebouw, wat lichtelijk is opgefleurd met bloembakken op de krappe balkons. Via een grote, glazen draaideur lopen we naar binnen, waar een vrouw in een mantelpak een heel team van mensen het gebouw doorstuurt en druk aan het telefoneren is.
Vijf minuten later heeft ze tijd voor ons. Haar rode haar is in een strakke boblijn geknipt. Haar gezicht vertoond een aantal ouderdoms rimpels.
‘Goedenacht,’ begint ze tot mijn verbazing in het Engels, terwijl ze haar grijze mantelpak recht trek. ‘Mijn excuses voor het wachten. We zijn onze voorbereidingen aan het treffen voor de evacuatie, die wellicht binnen enkele dagen plaatsvindt.’
‘Begrijpelijk,’ begint Feline vermoeid. ‘We zijn op doorreis. Heeft u nog een kamer voor ons over waar wij vannacht kunnen slapen?’
Zo gezegd, zo gedaan. De vrouw regelt een kamer voor ons en belt een garage die onze auto gaat maken. ‘We leven op dit moment 24/7 om iedereen goed voorbereid te laten vertrekken. Met jullie auto komt het helemaal in orde.’ Ze is niet zo harteloos als ik dacht dat ze was met haar super strakke kapsel.
Nadat we al onze bagage (inclusief fietsen) naar boven hebben gesjouwd, ploft Feline dankbaar neer op een bed. Ze is het langst wakker van ons beide. Hoewel ik nog wel wat slaap kan gebruiken, besluit ik eerst eens uitgebreid te douchen. Wie weet hoelang het duurt voordat ik die kans weer krijg. Ik zet het water op een hoge temperatuur en neurie zachtjes. Ik wil me net gaan uitkleden als ik verdachte geluid hoor bij het raam. Voor de zekerheid pak ik een zakmes uit mijn rugzak en open voorzichtig het raam.
Het enige wat ik zie is een paar stralend blauwe ogen. Twee woeste zeeën die me met huid en haar verslinden. Achter in mijn keel welt een schreeuw op die ik niet kan bedwingen. Ik strompel naar achteren en laat mijn mes vallen – waarom laat ik het vallen? De ogen verdwijnen en mijn hart slaat als een razende. Voorzichtig loop ik weer richting het raam. Niemand te bekennen. Ik sluit het raam. De paranoia heeft het duidelijk van mijn fatsoen gewonnen. Ik ga nu maar gewoon douchen en doen alsof er niets aan de hand is. Dat lijkt me het beste.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *