Sylca Saga

Hoofdstuk 4 – Soare (Sylca Saga I)

Zvi staat bij de deur te wachten met twee nertsbontjassen in zijn hand. Grootvader gunt hem geen blik waardig, terwijl Zvi beleefd de jas voor hem open houdt. Zijn blik is op de deur gericht en Zvi houdt de andere jas voor mij open. De jas is warm en ik sluit het helemaal. Zvi opent de deur en een gure wind komt ons tegemoet en beneemt me mijn adem.
Ik hap naar lucht en veeg met mijn hand door de lucht. De wind gaat meteen liggen en grootvader geeft me een korte knik. Dan stappen we naar buiten en een herfstlucht omarmt ons. Het is guur buiten voor een septemberdag en ik kruip nog meer in mijn bontjas. Grootvader geeft me een korte, waarschuwende blik via zijn ooghoek en ik ga meteen weer rechtop staan.
We lopen over het pad dat langs het kasteel loopt. Deze doorgang wordt alleen door grootvader en mij gebruikt. Bijna niemand weet dat deze uitgang bestaat, alleen grootvader, Zvi en ik.
Zvi blijft trouw in het kasteel wachten. Ja, hij is hier vrijwillig… Wij –grootvader en ik- noemen het vrijwillig. Ieder ander ziet het hoogstwaarschijnlijk anders, maar die houden vrijwillig hun mond erover (als je begrijpt wat ik bedoel).
De grond is modderig en de lucht is ijl. De sneeuw is een beetje verdwenen door de regen van eerder deze dag, maar ik wed dat het er over een uur weer zal liggen. Er ligt altijd sneeuw rondom het kasteel, maar dat is normaal wanneer een kasteel boven op een berg staat.
Op de hoogste berg van het land nog wel. Het is de perfecte plek om de omgelegen dorpen en bewoners in de gaten te houden. Vanuit hier gaat ons zicht heel ver en kunnen we alles beheersen, wat we maar willen beheersen. Net zoals de donkere lucht in West-Europa.
Grootvader loopt langs de hoge kasteelmuren het beboste gebied in. De natuur omringt het kasteel alsof het haar jong is dat ze wil beschermen tegen de vijanden. Struiken en bomen reiken uit naar het kasteel, raken de muren voorzichtig aan met de punten van hun takken en bladeren, alsof ze bang zijn om het aan te raken. Bang voor de magie dat van het kasteel afstraalt.
Ik kijk via de muur omhoog en val bijna achterover, zo hoog is de muur. Geen mens –ha, die vooral niet-, maar ook geen Sylca of Buphal die daar over- of doorheen zal komen. Achter deze muur torent het eeuwenoude, gotische kasteel er gigantisch bovenuit. De kleine, donkere ramen zijn gesloten en de kamers er achter zijn ook bijna onbewoond. Hier en daar zie je wat vuurlicht flakkeren, maar merendeels is donker. De blauwgrijze daken liggen vol met sneeuw en ijs en de punt van de hoogste toren is verdwenen en een enorme wolk. De andere drie torens reiken de wolk net niet.
Mijn ogen glijden door de lucht en meerdere wolken vertonen zich aan de hemel. De maan is halfvol en schijnt haar felle stralen over het bos en het kasteel. Ik tuur naar het bos en het lijkt wel of het naar me schreeuwt… Heerlijk gevoel, vind ik dat.
De dichte struiken maken plaats voor grootvader zodra hij een stap in hun richting zet. Krakend, brekend en een hol geschreeuw, dat ver weg klinkt, gaan de takken opzij, terwijl wij door lopen. Ik weet precies waar grootvader heen gaat en blind zou ik de weg nog kunnen volgen. Zodra we beiden het bos in lopen, sluiten de struiken weer achter mij en ik kijk voor een kort moment achterom. Het kasteel verdwijnt in zijn geheel door de bladeren en takken van de struiken en de bomen. Het is fascinerend hoe zo’n groot gebouw in zijn geheel kan verdwijnen met een beetje magie.
Het is nog donkerder in het bos dan ik had verwacht. Droge takken en bevroren bladeren kraken onder onze voeten. Stevig lopen we door naar de rand van de berg. Iedere keer splitsen de struiken om baan te maken voor ons en iedere keer sluiten ze ook weer zodra ik een stap verder heb gezet.
Grootvader is stil, zoals altijd en daarom zwijg ik ook. We spreken alleen tegen grootvader wanneer hij tegen ons spreekt.

Aan de rand van de berg is het struik- en boomvrij. En tegelijk ademen we de ijle, maar zuivere berglucht in.
Het maanlicht schittert op het beetje sneeuw dat hier op de grond ligt en bij een oud, houten bankje blijft grootvader stilstaan en kijkt naar de dorpen beneden ons. Zwijgend ga ik naast hem staan en tuur met hem mee.
Straatlantaarns staan aan, de lichten in de huizen branden ook en hier en daar gaat een gezin naar bed en doen ze het licht uit. Het is rustig in de dorpen: soms hoor je zacht geschreeuw van de dronkenlappen uit de kroegen. Vanuit mijn ooghoek zie ik verschillende auto’s rijden, allemaal bergafwaarts richting de grote steden die onder aan de berg liggen. Waarschijnlijk de jongeren die gaan stappen.
‘Fantoma doet het goed,’ zegt grootvader opeens en zijn stem echoot. Ik sla mijn ogen naar hem op en knik kort. Hij praat over de Fantoma alsof… Alsof het zijn huisdier is.
‘Groot-Brittannië, Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg en –bijna heel- Nederland zijn helemaal weggevaagd. Miljoenen mensen op de vlucht en dood, het is een grote chaos in het westen van Europa,’ zegt hij. In mijn oren heeft hij een trotse toon in zijn stem, voor ieder ander klinkt het koud en kil.
‘Miljoenen zielen die nu ronddwalen over de aarde, niet wetende waar ze heen moeten. Er zijn bij lange na niet genoeg engelen die hen de weg kunnen wijzen naar de hemel,’ gaat hij verder.
Ik trek mijn wenkbrauw op bij het woord “engelen”. Wij geloven daar helemaal niet in.
Een flauwe lach, dat eerder klinkt als een gekuch van een hoogbejaarde man, verlaat zijn keel. ‘Bij wijze van spreken. We weten allebei dondersgoed dat mythische figuren zoals engelen niet bestaan. Net als dat de hemel niet bestaat.’
‘Het nieuws heeft Duitsland bereikt en Fantoma komt nu onze kant op. Morgen zullen we haar splitsen, Soare,’ zegt hij bijna fluisterend. ‘We sturen de andere kant richting de Verenigde Staten. Dat ze die vetzakken daar maar ook even uit de wegruimt voor ons. Weet je dat daar de meeste Sylca’s zijn gestorven?’ en ik hoor de haat in zijn stem.
Zwijgend kijk ik hem aan en knik alleen maar.
‘We zullen de mensen terugpakken, Soare. Wij, Sylca’s, behoren aan de top van de wereld en wij twee werken daar nu hard aan.’
Opeens lijkt het wel of zijn ogen fonkelen in het maanlicht en ik kijk hem verwachtingsvol aan.
‘Wat is het, grootvader?’ vraag ik enigszins nieuwsgierig.

‘Nederland heeft ze ook helemaal opgeslokt en ze begint nu aan Duitsland,’ zegt hij zacht en zijn mondhoeken krullen omhoog.
Ik doe met hem mee en beiden staren we in de richting van de Fantoma.
‘Weet je wat, Soare,’ begint hij terwijl de wind harder begint te waaien. ‘We splitsen haar nu al. Het oplossen van de Nederlanders en het begin van de verdwijning van Duitsland moet worden gevierd. Wat vind jij?’
Glimlachend kijk ik hem aan en voel de magie al borrelen in mijn buik. De wind begint harder te waaien, achter ons beginnen bomen te schudden, takken te kraken en bladeren te ritselen. De maan gaat feller schijnen en de wolken verdwijnen uit de lucht. De blik in grootvaders gezicht wordt duister, duisterder dan de nacht zelf. Ik volg zijn blik en kijk ook naar het westen.
Net als de eerste keer dat we Fantoma opriepen, staan we nu weer zij aan zij aan de rand van de Moldoveanu.
De wind begint steeds harder te waaien en heeft nu de kracht van een heuse storm. Losse bladeren en takken vliegen om ons heen alsof wij het oog zijn van een tornado. Ik zet mijn voeten op schouderbreedte en zet mezelf schrap voor de krachten van de natuur. Regen, sneeuw en hagelstenen zo groot als golfballen komen uit de wolkloze lucht vallen. Mijn krullen schieten alle kanten op en de puntjes van mijn haren prikken in mijn gezicht. Door de storm en mijn wilde haren heen houd ik mijn ogen op het westen gericht. Mijn zicht zoomt in op de Fantoma en opeens hangen we er midden in. Midden in de Fantoma.
Ik heb dit nog nooit gedaan en mijn hart begint te racen in mijn borstkas als een op holgeslagen paard. Toen we het opriepen, werkte het heel anders.
Hoewel ik midden in een soort wolk hang, voel ik wel stevigheid om mij heen. Ik zweef niet of zo. Ik voel hoe de magie mij op mijn plaats houdt in de Fantoma. De kracht die ik nu voel is onvoorstelbaar. Zo duister, zo leeg maar ook zo rijk aan gevoelens. Het voelt hemels!
Geschreeuw klinkt om ons heen. Kermend geschreeuw klinkt hoog en pijnlijk in mijn oren, maar ik schenk er geen aandacht aan. Mijn ogen schieten alle kanten op en opeens staat –hangt, zweeft, hoe je het wilt noemen- grootvader op een afstand van tien meter voor me. Onze gezichten naar elkaar toe. Zijn perfect gekapte haar wappert, net als mijn krullen, wild heen en weer. Zijn donkere ogen staan donker en leeg, maar toch kan ik het genot in zijn blik zien. Pure, zwarte magie straalt van hem af en ik voel de mijne ook stralen. Het is een intens gevoel dat echt onbeschrijfelijk is.
Onze ogen houden elkaar vast. Ik klem mijn kaken stevig op elkaar om de sterke druk op mijn lichaam te kunnen weerstaan. Het gebruik van pure, zwarte magie als deze is enorm energievretend, maar toch vind ik het heerlijk om te doen.
Tegelijkertijd strekken we onze armen en reiken we naar de donkere lucht boven ons. De magie hangt als een hete damp om onze lichamen heen. De Fantoma maakt ruimte voor de pure kracht en verwijdert zich iets van ons. Het blijft om ons heen dwalen in rondjes, alsof het een wolvenkudde is dat hun prooi aftast.
Grootvader sluit zijn ogen, maar ik houd mijn blik op mijn omgeving gericht. Een schreeuw komt uit de duisternis en een lichtflits volgt, het lijkt op bliksem. Een donderslag klinkt verderop ergens op de wereld, maar ik voel de trillingen door heel mijn lichaam. Iets schiet los van de dichte massa van de Fantoma. Een duister iets, een schaduw… Het lijkt wel… Mijn hart staat abrupt stil en mijn adem stokt, wanneer de schaduw met gesperde mond en ogen vol angst schreeuwend op me af komt. Dit… Ik heb dit nog nooit van mijn leven gezien. Met grote ogen kijk ik er naar en hap naar adem, wanneer de schaduw door mijn lichaam gaat. Een ijskoud gevoel trekt door mijn lichaam en bevriest iedere orgaan en bloedcel. Mijn adem stokt weer en ik kijk naar grootvader. Meer geschreeuw, lichtflitsen en donderslagen volgen elkaar op. Ik besef dat het zielen zijn van de mensen die ze op haar weg heeft vermoord. Iedere keer gaat er een dwars door mijn lichaam en neemt een stukje van mijn energie mee. Donkergrijs gaat het mijn lichaam in en pikzwart komt het er weer uit.
Wanneer de Fantoma eindelijk is gesplitst, ben ik gewend aan het ijskoude gevoel van de zielen en laat ik mijn armen zakken. Met mijn laatste beetje energie help ik grootvader om Fantoma Doilea richting de Verenigde Staten te sturen.
In een flits staan we weer aan de rand van onze berg en komt de zon achter ons op. De lucht kleurt daardoor roze en oranje. Het getjilp van de vogels klinkt als ware rust in mijn oren na het geschreeuw van de zielen in de Fantoma.
Buiten adem kijk ik nog steeds naar het westen en probeer grootvader zo min mogelijk te laten merken dat mijn lichaam op is.
Hij heeft zijn ogen nog gesloten, haalt diep adem en verdwijnt dan opeens. Gefascineerd staar ik naar de plek waar hij stond… Dat wil ik ook kunnen!
En dan voel ik opeens de klap van mijn vermoeide lichaam. Ik zak door mijn benen heen en laat me op mijn knieën vallen, leg mijn handen in het koude zand. Een paar keer haal ik diep adem en blaas langzaam uit tot de zeurende pijn in mijn longen en borstkas weg is. Maar de druk in mijn borstkas gaat niet weg en met mijn rechterhand wrijf ik er een paar keer over heen.
Ver weg klinkt gejoel en ik kijk achterom. De jonkies… Met een zucht en een kreun vanwege het vreemde gevoel in mijn borstkas sta ik op en loop terug naar het kasteel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *